Is het ooit aanvaardbaar om zesjarigen te dwingen hun vingerafdrukken te geven?

Deze week onderhandelen the Europese instellingen een wetsvoorstel dat het gebruik van dwang zou toelaten om vingerafdrukken te verkrijgen van kinderen vanaf zes jaar

hand

Stel je voor, je bent zes jaar. Op school leer je net meer te schrijven dan enkel je naam. Misschien heb je een lichte obsessie voor dinosaurussen of eenhoorns. Je klimt in bomen met vrienden, broers en zussen. Wanneer je thuiskomt kijk je naar tekenfilms en je droomt van snoep en speelgoed. Je bent bang van monsters, of triest omdat je oma misschien kan sterven.

Stel je dan voor dat een oorlog uitbreekt. Geweld breekt los en sommige van je vrienden vertrekken. Anderen raken gewond of sterven. Je ouders besluiten dat het hoog tijd is om ook te vertrekken. Je moet snel opgroeien. Je bent bang.  Je hoort de geluiden van oorlog, en schrikt elke keer. Nadat je verschillende grenzen hebt overgestoken word je in een boot geduwd. Het is de eerste keer dat je de zee ziet, maar het is niet zo fijn als je je inbeeldde. In de boot zit je gepropt tussen tientallen andere mensen. De boot begint te zinken, mensen roepen en je kan niet zwemmen. Eindelijk arriveert een reddingssloep. Je wordt aan de kant gesleept.

Je lacht, je ouders lachen, je hebt eindelijk Europa bereikt. Wat een opluchting! Geen geweld meer.

Niet vandaag. Niet in dit Europa.

Deze week bespreken vertegenwoordigers van de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Raad de EURODAC-verordening, die de registratie en identificatie regelt van mensen die in Europa aankomen. Daar hoort ook het verzamelen van vingerafdrukken en foto’s bij.

Het voorstel verlaagt de leeftijd van kinderen die hun vingerafdrukken moeten geven van veertien tot zes jaar. Nu wordt ook besproken of dwang toelaatbaar is om vingerafdrukken te verkrijgen van vaak heel kwetsbare migranten- en vluchtelingenkinderen.

De gegevensverzameling wordt voorgesteld als een manier om te voorkomen dat kinderen verdwijnen of in de handen van smokkelaars terecht komen. In principe hebben we daar niets op tegen. Maar we kunnen gewoonweg geen voorstel aanvaarden dat het gebruik van dwang – fysieke of psychologische intimidatie – toelaat bij kinderen vanaf zes jaar.

Het is niet duidelijk hoe ver autoriteiten zullen gaan om vingerafdrukken of andere details te verkrijgen. Maar het is zeker dat als we de deur openzetten voor dwang, we ruimte laten voor allerlei vormen van misbruik. Betekent dit dat een politieagent een kind bij de pols kan grijpen om zijn of haar vinger op de inkt te duwen? Kunnen ze kinderen intimideren zodat ze stil zitten als er foto’s worden genomen?

Wat er gebeurt in de Balkan, waar Save the Children werkt met kinderen die gedwongen en vaak op een gewelddadige manier over de grens heen en weer worden gesleurd zou moeten dienen als een waarschuwing.

Stel je nu terug voor dat je die zesjarige bent. Je komt aan op een plaats die volledig onbekend is. Je bent in de war. Je ouders, die normaal gezien alle antwoorden hebben, zijn ook in de war. Je bent omringd door vreemde mensen, prikkeldraad en grensposten. Dan word je een kamer binnengeleid. Je begint te huilen. Je snapt niet wat ze met je doen, of wat er gebeurt als je je vingerafdrukken geeft. Je vraagt je af of je iets verkeerd hebt gedaan.

Er is niets mis met het registreren van kinderen. Maar er bestaan minder ingrijpende manieren om dit te doen. Ontvang mensen zoals het hoort, schep vertrouwen, praat met hen in een taal die ze verstaan. Vertel hen dat ze niet de gevangenis ingaan en leg uit welke rechten ze hebben. Zorg ervoor dat een voogd aanwezig is bij niet-begeleide minderjarigen.

Het creëren van een faciliterende omgeving help als je iemand wil overtuigen om mee te werken. Een wetgevend kader dat onschuldige mensen behandelt als criminelen beïnvloedt de manier waarop de overheid met hen omgaat. Het verandert ook de manier waarop het publiek naar hen kijkt.

Ergens onderweg zijn we in het migratiedebat elke vorm van waardigheid verloren. Dit dreigt zich nu ook door te dringen in onze wetgeving. De komende week bespreken wetgevers of dwang toelaatbaar is voor kinderen. Laat ons hopen dat ze beter weten dan dit te laten gebeuren.

 

Advertisements

Is it ever ok to coerce six-year olds to get their fingerprints?

This week EU Institutions will discuss proposals to use coercion to obtain fingerprints from children as young as six

hand

Imagine, you’re six years-old. At school, you are learning to write more than just your name. You may be slightly obsessed with dinosaurs, or unicorns. You climb trees with your friends and siblings. When you get home, you may watch cartoons, daydream about sweets and toys. You may be scared of monsters, or of your beloved grandmother dying.

Imagine, then, if war breaks out. Violence erupts and some of your friends start to leave. Others get wounded or die. Your parents decide to leave too. You need to grow up fast. You’re scared. You hear the noises of war, and they startle you every time. After crossing multiple borders, you get shoved into a boat. It’s the first time you see the sea, but it’s not as nice as you had imagined. There are lots of people on that boat and you’re crammed in between them. The boat starts to sink, people shout, you don’t know how to swim. You are terrified. Finally, a rescue ship arrives. You get dragged onto the shore.

You laugh, your parents laugh, you reached Europe. What a relief! No more violence.

Not today. Not in this Europe.

This week, representatives from the European Commission, Parliament and Council will be discussing the EURODAC proposal, which arranges registration and identification of people arriving in Europe. This includes collecting fingerprints and facial images.

The proposal would lower the age of children who need to be fingerprinted from 14 to six years old. Up for debate is also whether vulnerable refugee and migrant children should be coerced into having their fingerprints taken.

The registration of young children is being presented as a way to protect them from disappearing and ending up in the hands of smugglers. Save the Children, in principle, welcomes all moves to help children… But we simply cannot accept a proposal where the use of coercion – applying physical or psychological intimidation – against young child is even being considered.

For now, it is not clear how far authorities would go to make children give their fingerprints or other details. But it is undeniable that licensing coercion, leaves space for the mistreatment of children to escalate.

Would these proposals mean that officials could grip the wrist of a child who refuses and force their finger unto the ink? Or that they intimidate children to ensure they sit still while their photos are taken?

The scenes across the Balkans – where our teams have worked with children who have been forcibly and in some cases violently pushed back– should act as a warning that children are extremely vulnerable.

Imagine again that you are that child. You arrive in a completely unknown place. You’re confused, you don’t understand what people are saying. Your parents, who usually have all the answers, are confused too. You’re brought to a place surrounded by strangers, with barbed wire and checkpoints. Then you are taken into a room. You start crying. You don’t understand what they are doing to you, or what will happen after they take your fingerprints. You wonder whether you are to blame.

There is nothing wrong with registering children. But there must be transparent and less harmful ways to do this: receive people properly, build trust, engage with them and explain the procedure in a language they know. Explain that they won’t go to prison, tell them they have rights. For unaccompanied children, ensure they have a guardian present.

Establishing an enabling environment goes a long way in getting people to cooperate.  Creating a legal infrastructure that treats innocent people as if they’re criminals affects the way governments engage with them and it will affect the way the public looks at them.

Somewhere along the road of this migration debate, we have lost a basic sense of human decency. Now this is threatening to spill into our laws. On Wednesday, lawmakers in Brussels will discuss whether to allow the coercion of children. We should all know better than to let this happen, let’s hope that our representatives do too.

 

 

 

 

 

EU migration policies risk pushing more children underground

Last February, seven children tried to kill themselves in Sweden, three of them succeeded. Mental health issues are widespread among migrant and refugee children across Europe. In the Greek hotspots, we have witnessed suicide attempts and self-harm among children as young as nine. As one young asylum-seeker put it: ‘Killing ourselves is better than being beheaded by the Taliban or ISIS in Afghanistan’.

Anxiety, depression, nightmares are all the result of the increased insecurity refugee and migrant children in Europe face in Europe. Children living in the hotspots fear they will never see family members in other parts of Europe. Germany and Sweden, which host most unaccompanied children in Europe use ‘temporary permits’ which offer less protection and make it impossible for them to reunite with their families.

The continuous insecurity and ill-treatment are pushing children underground, where they are less visible and less protected. Many children admit that they would rather go undocumented than being returned to the country where they came from or, in some cases, to a third country they don’t know at all. Many Afghan children residing in Sweden grew up in Iran. They are now being sent back to Afghanistan, where they have no network or family. In the Balkans, smuggling has increased because children are desperate to reach family or community members in other European countries, and asylum-procedures are slow or virtually non-existent.

In April, the European Commission announced new measures to protect children in migration, which include better data collection and a European guardianship network. This comes some way in meeting children’s needs, but it means very little when countered by strenuous border and return procedures, increased detention and limited access to refugee status.

Which crisis?

In the meantime, many European countries are taking advantage of a notion of ‘crisis’ to close borders and put a stop to migration. The truth is that today most European member states take in an equal amount or fewer asylum-seekers than before the crisis began. While Belgium, Sweden, Denmark, Slovenia and Poland have seen a decrease in applications compared to 2012, Greece and Italy account for 30% of all asylum applications.

Migrants represent only 0,3% of the European population, yet they have taken up 40% of all European Council meetings in the last year. A feeling of ‘imminent threat’ might be beneficial for politicians pursuing an anti-migration agenda, but it generates devastating consequences for children. They either face hardship and insecurity in the EU, or risk their lives at sea and in the desert by taking routes which have become more dangerous due to an increase in border and police control – supported by the EU.

Two years ago, when the message appeared that ten thousand children were missing, this was big news. Everybody wondered: what happens to those children? Where do they end up? Today, we still don’t know the answers, and children continue to disappear.

In its new report, Save the Children calls on the EU and its member states to keep children at the centre of migration policies and show more solidarity. If member states work together, solutions to manage migration can easily be found. We can’t deny others the rights that we ourselves deem so obvious. Everyone benefits when children do better, go to school and grow up in a healthy and stable environment. The EU received a confidence boost after Brexit. That confidence can only grow if they manage to tackle this last obstacle – migration – in a dignified manner

Meer kinderen dreigen te verdwijnen omwille van een crisis die niet bestaat

In februari van dit jaar ondernamen zeven kinderen in Zweden zelfmoordpogingen, waarvan er drie stierven. Psychische problemen en trauma’s zijn alomtegenwoordig bij vluchtelingen- en migrantenkinderen in heel Europa. In de ‘hotspots’ – omstreden detentiecentra op de Griekse eilanden, observeerden onze medewerkers zelfverminking bij kinderen vanaf negen jaar. Zoals een jonge asielzoeker in een van onze programma’s het verwoordde: ‘Zelfmoord plegen is beter dan onthoofd worden door de Taliban of ISIS in Afghanistan.’

Angsten, depressie en nachtmerries vloeien allemaal voort uit de stijgende onzekerheid waarmee kinderen en jongeren te kampen hebben. Kinderen in de ‘hotspots’ vrezen dat ze nooit meer herenigd raken met hun familie elders in Europa. In Duitsland en Zweden, waar de meeste niet-begeleide minderjarigen verblijven, krijgen kinderen nu ‘tijdelijke vergunningen’ waardoor ze niet in aanmerking komen voor gezinshereniging. Die kinderen, vaak jongens van zestien jaar, gaan kapot van de spanning en eenzaamheid, die bovenop het trauma van de reis komt.PC3

De voortdurende onzekerheid en barslechte behandeling duwt kinderen ondergronds waar ze minder zichtbaar zijn en dus meer risico lopen. Massale uitdrijvingen en ‘pushbacks’ in de Balkans, waar kinderen telkens weer de grens over geduwd worden, maken van hen een gemakkelijke prooi voor mensensmokkelaars. Veel kinderen geven toe dat ze liever zonder papieren door het leven gaan dan teruggestuurd te worden naar een land waar hun leven mogelijk in gevaar is.

Met initiatieven zoals een Europees netwerk van voogden en betere gegevensverzameling tracht de Europese commissie het probleem aan te pakken, maar dat blijft een druppel op een hete plaat tegenover het strenge grens- en terugkeerbeleid dat vele landen aanmeten.

Welke crisis?

Onder het mom van een crisis, trachten verschillende politici de grenzen af te sluiten en migratie te herleiden tot nul. De waarheid is dat vrijwel alle Europese lidstaten vandaag evenveel of minder asielzoekers opvangen dan voor de crisis startte. Dat terwijl Italië en Griekenland samen dertig procent van alle asielzoekers opnemen. Er is dus geen sprake van een crisis, wel van een acuut gebrek aan solidariteit tussen lidstaten.

Migranten maken 0,3% van de Europese bevolking uit, toch werd er tijdens Europese raadsbijeenkomsten van het voorbije jaar 40% van de tijd over hen gesproken. Waarom is dat? Een reden is dat veel mensen bang zijn voor het onbekende en voor mogelijke terreur. Die angst moet zeker aangepakt worden. Maar als politicus heb je dan de keuze: je kan die angst voeden of je kan als leider het hoofd koel houden en een redelijk antwoord bieden. Een gevoel van ‘imminente dreiging’ komt verschillende politieke partijen echter goed uit. Telkens het op een ander beleidsdomein wat minder gaat, kunnen ze een onzichtbare vijand – ‘de migrant’ – uit de kast halen. Punten scoren door je volk te leren haten, het is erg cynisch. En het brengt duizenden kinderen in gevaar.

Het kan ook anders

Als landen op een eerlijke manier samenwerken en verantwoordelijkheid nemen, kan Europa gemakkelijk een antwoord bieden op migratiestromen. Natuurlijk moeten we onze grenzen controleren, maar migratie herleiden tot nul is niet mogelijk – en ook niet wenselijk. Laat ons daar eerlijk over zijn. In plaats van massaal geld te investeren in buitengrenzen, politie en defensie, kunnen we ook zekerheid en bescherming bieden, zowel in Europa als in landen van herkomst. De rechten die we zelf zo vanzelfsprekend vinden – recht op onderwijs, onderdak, gezondheidszorg –  mogen we anderen niet ontzeggen. Niet elke asielzoeker heeft een plaats in Europa, maar een terugkeerbeleid werkt enkel als het mensen in hun waarde laat en oplossingen biedt in landen van herkomst. Het belang van het kind komt altijd eerst, en dat moet in de wet verankerd worden.

In een nieuw rapport geeft Save the Children een aantal concrete aanbevelingen voor een fair en humaan asiel- en migratiebeleid. Iedereen wint erbij als kinderen naar school kunnen gaan, gezond zijn en bescherming genieten. In de nasleep van Brexit kreeg de EU meer zelfvertrouwen. Dat vertrouwen kan alleen maar groeien als leiders samen ook dat laatste heikele punt – migratie – op een waardige manier aanpakken.

 

The myths surrounding Europe’s migration policy

 

A mother and child look out over the Mediterranean from aboard a Save the Children vessel. They fled Libya after suffering violence and abuse there.

 

European leaders are currently gathering in Brussels to discuss the EU’s external migration policy. They will most likely decide to go full steam ahead with the current approach: preventing migration with development money, deterring potential migrants and returning rejected asylum-seekers.

This confirms the dismaying trend we notice globally: leaders no longer make decisions based on facts, but on myths and electoral interests at home.

The first myth is that Europe is still in a state of crisis, with refugee numbers increasing and migrants pouring in. In actual fact, the number of arrivals we face with today are not much different from 2014. While Italy may be facing some migratory pressure, other EU member states are actually closing reception centres.

The second myth is that most of those migrating in Africa are headed for Europe’s shores. In actual fact, the overwhelming majority is intra-African. Most Africans that do make their way to Europe, do so with a valid passport.

The third myth will be discussed at the Council meeting today (22nd June). This myth tells the story that by punishing –  or rewarding – countries we can convince them to take back their own returned nationals or work together on restrictive migration policies.

It’s short-sighted to think that countries can be that easily controlled. A report released by the European Commission last week confirms that this approach is not effective. Most countries prioritised by the EU, such as Mali or Senegal, refuse to cooperate by taking in returned migrants. This shouldn’t come as a surprise: countries receiving 10% of their national income from migrants living abroad through remittances will continue to rely on migration to develop.

Furthermore, the countries the EU will ‘punish’ for failing to accept rejected asylum-seekers are those facing pressing humanitarian crises:  partner countries like Nigeria and South Sudan are at risk of mass starvation due to conflict and drought, with two parts of South Sudan already declared officially ‘under famine’ by the United Nations. An estimated 7.8 million people are food insecure in Ethiopia. To penalise these countries for failing to take back theirnationals spells exacerbating internal catastrophes.

Leaders also foster the fourth myth: a belief that an aggressive crackdown on smugglers will halt migration. At the same time, the EU reports that in Niger, where this approach was tested, people are now paying higher prices for smugglers to take them through new and riskier routes. ‘Tackling the business model of smugglers’ should mean taking away their clients. We can do this in two ways. Firstly by looking at the reasons why people leave – extreme poverty, inequality, hunger, the lack of a job or access to education – and trying to address those. Secondly, by developing better pathways for people to come to the EU regularly. If countries are offered the prospect of remittances through regular migration, they may be more inclined to take back irregular migrants.

The EU’s current approach toward migration is severely affecting its standing in the world. Take Libya for example. The EU’s foreign policy chief reported this week that 16,000 people had been ‘rescued’ by Libyan coast guards. What happens when they are forced to return to Libya? Save the Children hears their stories every day during search and rescue operations. Stories of detention, torture, violence and slave labour. Men, women and children sent back to what is being described as hell on earth.

Save the Children, alongside 17 other global NGOs have drafted a statement to counter the current EU policy as it is discussed today and tomorrow.

The EU used to take pride in its global role as a human rights defender. Our global leverage will disappear if we don’t debunk these myths and work towards creating sustainable, long term solutions for people, and especially for children, who are on the move.

 

De mythes van het Europese migratiebeleid

 

29-jarige moeder met dochter na een reddingoperatie

Vandaag en morgen bespreken Europese leiders in Brussel hun plannen voor een extern migratiebeleid. Wellicht gaan ze volop door op de huidige lijn: inzetten op preventie met ontwikkelingsgeld, afschrikking van potentiële migranten en terugkeer van gefaalde asielzoekers.

Dit bevestigt de steeds hardnekkigere trend dat beleidsbeslissing niet langer gebaseerd zijn op feiten, maar op mythes en electorale overwegingen. Zeker als het aankomt op migratie.

Er is de mythe dat de Europese Unie nog steeds in een staat van crisis vertoeft, terwijl het aantal asielzoekers constant blijft in vergelijking met 2014. Verschillende landen sluiten onthaalcentra voor asielzoekers, en er is zeker geen sprake van een immense toestroom.

Er is de mythe dat alle migranten op het Afrikaanse continent zich een weg willen banen naar Europa, terwijl het overgrote merendeel van de migratie intra-Afrikaans is. De meeste Afrikanen die toch naar Europa komen, doen dat met een geldig visum of paspoort.

Een derde mythe komt vandaag aan bod tijdens de Europese top. Dat we met het straffen of belonen van Afrikaanse partnerlanden migratie kunnen stoppen.

Het is kortzichtig om te denken dat landen vatbaar zijn voor dit soort omkoperij. Dat bevestigde de Europese Commissie zelf, in een rapport dat vorige week gelanceerd werd. De meeste partnerlanden, zoals Mali en Senegal, weigeren mee te werken aan een terugkeerbeleid. Dat hoeft niet te verbazen; tien procent van hun nationaal inkomen komt uit remittances, bijdragen die migranten naar hun thuisland versturen. Migratie, en de geldstromen die dat genereert, blijft daar een van de belangrijkste bronnen van ontwikkeling.

De bevolking van andere landen die de EU viseert zoals Nigeria en Zuid-Soedan staat op de rand van massale uithongering omwille van conflict en een aanslepende droogte. In Ethiopië lijden 7,8 miljoen mensen onder een schrijnend voedseltekort. Diezelfde landen gaat de EU nu afstraffen als ze geen teruggestuurde asielzoekers opnemen.

Een laatste mythe is de overtuiging dat een repressieve uitschakeling van smokkelnetwerken migratie zal tegenhouden. Nochtans is het duidelijk dat mensen nu al andere en gevaarlijkere routes opzoeken in Niger, waar de EU het meeste inzet op deze aanpak. Hetzelfde gebeurde na 2006, toen Spanje migratie via Mauritanië stopzette: diezelfde mensen reizen nu langs Niger en Libië.

Smokkelaars aanpakken doe je best door te zorgen dat ze geen klanten meer hebben. Dat kan op twee manieren. Je gaat na waarom mensen vertrekken en doet daar iets aan. Vaak is dat conflict, armoede, klimaatverandering of ook gewoon het gebrek aan een job of een opleiding. Daarnaast kan je kijken of we meer mensen op een reguliere manier naar Europa kunnen brengen. Als landen een perspectief hebben op inkomsten uit reguliere migratie, zullen ze misschien meer geneigd zijn om irreguliere migranten terug te nemen.

Het huidige beleid tast onze internationale geloofwaardigheid aan. We zetten sterk in op de Libische kustwacht, die volgens de Europese chef buitenlandse zaken 16.000 mensen ‘gered’ heeft. Wat gebeurt er met die mensen, eens ze terug voet aan wal zetten in Libië? Save the Children hoort dagelijks hun verhalen tijdens reddingsoperaties. Ze worden opgesloten, gemarteld of gebruikt voor slavenarbeid. We sturen mannen, vrouwen en kinderen terug naar wat talloze getuigenissen beschrijven als een hel op aarde.

Vroeger was de EU wereldleider op gebied van mensenrechten. Vandaag zijn we onze stem kwijt, omwille van een beleid gebaseerd op mythes.

Samen met organisaties zoals Oxfam en Amnesty International, kwam Save the Children voor de boeg met aanbevelingen voor een beleid dat wel werkt. Die lees je hier.

 

Reddingsoperaties, mensenhandel en het gezicht erachter. Het verhaal van de zestienjarige Mamadou*.

Er was de laatste tijd veel ophef in de media rond reddingsoperaties in de Middellandse Zee en mensenhandel. Dat mensen redden van een verdrinkingsdood gelijk zou staan aan mensenhandel- of smokkel is natuurlijk onzin. Zelfs zonder reddingsoperaties gaan mensenhandel – en smokkel gewoon onverminderd voort. Het fenomeen is oneindig complex en diepgeworteld met migratieroutes die soms al eeuwenlang bestaan. Netwerken zijn vaak vertegenwoordigd op alle overheidsniveaus en nauw verbonden met lokale gemeenschappen, stammen, milities, transportbedrijven en grenspolitie. Routes worden aangepast naarmate het beleid wijzigt. De enorme bron van inkomsten die dit oplevert, kan niet zomaar vervangen worden.

Clingendael en ECDPM schreven twee briljante rapporten over het fenomeen.

Ik wil hier vooral het verhaal vertellen van de ‘migrant’, een gezicht geven aan die gedemoniseerde groep mensen die vaak enorm kwetsbaar zijn. Wie zijn die mensen op de bootjes? Toen ik vorige maand in Niger was had ik de kans Mamadou, een zestienjarige jongen, te interviewen. Een klein, verlegen ventje wist me twee uur lang gekluisterd te houden aan zijn verhaal. Het was hard om aan te horen maar wat me vooral opviel was zijn wilskracht, zelfredzaamheid en plichtsbewustzijn. Je reflechissais, zei hij verschillende keren, telkens hij voor een uitdaging stond.

Dit is zijn verhaal.

Mamadou, 16 jaar

Ik verliet mijn land zeven maand geleden. Ik wou mijn dromen verwezenlijken, de armoede achter me laten en iets van mezelf maken. Ik werkte in een winkel om het nodige geld te sparen. Mijn familie wist niets af van mijn vertrek, ik belde mijn vader pas toen ik het land had verlaten. Mijn ouders hadden mijn vertrek immers nooit toegestaan. Het geld dat ik had verzameld om de reis te financieren gaf ik aan een vriend. Ik had geen papieren, als een minderjarige is het moeilijk om papieren te verkrijgen. Ik wou eerst naar Italië gaan en dan naar Nederland. Ik heb daar zeven vrienden met wie ik via facebook contact houd.

 

terugkeercentrum Agadez

Terugkeercentrum IOM in Agadez (Niger)

 

 

Ik vertrok vanuit Guinea, en doorkruiste Mali en Burkina Faso om in Niger te geraken. Ik kwam heel wat politie tegen onderweg. Soms steken ze je in de gevangenis en kleden je uit. Ze nemen al je bezittingen af. Om te voorkomen dat ze mijn geld zouden stelen, had ik afspraken gemaakt met mijn vriend, die mij het geld in kleinere bedragen overmaakte naar transferbureaus, zodat ik zelf nooit te veel cash op zak had.

Toen ik aankwam in Agadez (Niger), ging ik naar een foyer (opvangplaats voor migranten, gerund door smokkelaars) en belde ik een kennis om me te helpen. Ik onderhandelde de reis van Agadez naar Sebha, die ongeveer 200.000 CFA (320 euro) kostte. Het geld werd overgeschreven door mijn vriend in Guinea. Ik bleef in Agadez voor een week. We vertrokken op een zondagochtend. Ik kreeg 5000 CFA (8 euro) om voedsel te kopen. Daarmee kocht ik poedermelk, couscous, brood en water. Ze gaven ons een bril en een masker om ons gezicht te beschermen in de woestijn. Er waren 32 mensen in de jeep en de kleinsten, zoals ik, moesten in het midden zitten. Er was weinig plaats, ik kon niet bewegen, mijn benen deden veel pijn. We vertrokken om 3 uur ‘s ochtends en namen een pauze om 9 uur. Toen reden we tot het nacht was. We sliepen in de woestijn. Om 5 uur ‘s ochtends vertrokken we weer. We hadden regels opgesteld om ons voedsel te rantsoenneren. Enkel ’s ochtends en ’s avonds mochten we water drinken.

Om 4 uur ’s ochtends de volgende dag kwamen we aan in Sebha (Libië). Daar verbleven we in een andere foyer. Een man riep ons een voor een binnen om naar onze plannen te vragen. Ik vertelde hem dat ik naar Tripoli wou gaan. De reis van Sebha tot Tripoli kostte opnieuw 200.000 CFA (320 euro). Libië is erg gevaarlijk. Als de Libiërs je vinden steken ze je in kleine cellen. Ik bleef in Sebha voor twee weken, maar ik haatte het daar. Op een dag ging ik werken op een bouwwerf zonder achteraf betaald te worden. Toen vertelden ze me dat Afrikanen er in regel niet betaald werden voor de verrichte arbeid. Iedereen die werkt in Libië komt uit Mali, Senegal en Kameroen. Alle Libiërs hebben wapens, zelfs de kleine kinderen. Een man die ik kende werd meegenomen naar de woestijn, beroofd, geslagen en uitgekleed en moest alleen terugkeren.

Ik regelde een volgende overschrijving om mijn trip naar Tripoli te betalen. Met 22 werden we in een bestelwagen voor vis verstopt. Het nam ongeveer een halve dag in beslag om Tripoli te bereiken.

Toen we daar aankwamen, verbleven we in een andere foyer. De man daar vertelde ons dat we in Sabratha moesten zijn als we de oversteek naar Italië wilden maken. We waren allemaal opgelucht om te horen dat het laatste gedeelte van onze reis eindelijk was aangebroken. Voor ik naar Italië vertrok, wou ik nog een centje bijverdienen. In Tripoli moet je altijd voorzichtig zijn, de kogels vliegen er om je oren. Ik vond een man die een kruidenierswinkel uitbaatte en begon voor hem te werken, Gezien Libiërs slecht Frans praten, vroeg ik hem me beetje bij beetje uit te leggen hoe alles werkte in de winkel. Ik verdiende 20 dinar (13 euro) per dag. Ik werkte er voor een maand, misschien iets langer. Toen kwam een groep gewapende mannen de winkel binnen en ze beroofden ons. Dat was de laatste dag dat ik er werkte. De volgende dag nam ik ontslag

Ik regelde mijn reis naar Sabratha, ging terug naar de foyer en bleef daar voor vier dagen zonder buiten te komen. De reis naar Sabratha kostte uiteindelijk 250.000 CFA (381 euro). Ik stuurde een deel van het geld dat ik verdiend had naar mijn moeder. Ik had nog 150.000 over, de rest werd overgemaakt door mijn vriend in Guinea.

We kwamen ‘s avonds toe in Sabratha. Eerst gingen we met z’n allen naar de zee kijken. We betaalden voor de reis en wachtten op het vertrek. We vertrokken ’s nachts. Er waren 147 mensen op de boot. Onder hen bevonden zich ook veel vrouwen en kinderen. We kregen zwemvesten en gingen één per één de boot op. Iedereen had een plaats maar het was erg krap. De man die de boot had geregeld vertrok. Een andere man kreeg een telefoon en een kompas in de handen geduwd. We dobberden in het water, in het midden van de nacht. Toen begon een van de banden van de boot lucht te verliezen. Mensen vielen uit de boot en verdronken. Sommige mensen riepen tegen de man met de telefoon dat hij de kustwacht moest bellen. Anderen zeiden dat het te riskant was om te bellen omdat we nog geen internationale wateren hadden bereikt. Uiteindelijk belde de man de kustwacht. 117 mensen overleefden. Er waren te veel mensen op de boot en we waren allemaal bang.

De Libische kustwacht bracht ons naar de Zawya gevangenis in Tripoli. De volgende dag gaven ze ons eten en de vertegenwoordigers van elk land kwamen ons bezoeken. Ik vertelde mijn verhaal tegen de vertegenwoordiger van Guinea. Hij zei dat ik geld moest hebben om de gevangenis te verlaten, 350.000 CFA (533 euro). Ik wist dat mijn familie dat niet kon betalen. Ik bleef in de gevangenis en dacht dagenlang na om een oplossing te vinden. Ze sloegen me regelmatig. Mannen en vrouwen verbleven in dezelfde gevangenis. De vrouwen werden regelmatig verkracht, zowel door bewakers als gevangenen. Ze wilden me overbrengen naar de gevangenis van Sebha, waar de situatie nog erger is. Ik besloot mijn oom te bellen in Gabon. Ik had gefaald, dit was het einde van mijn leven. Ik legde de situatie uit aan mijn oom. Mijn hele familie dacht dat ik zou sterven in de gevangenis. Uiteindelijk slaagde hij erin 200.000 CFA over te schrijven en ik werd vrijgelaten, na vijf weken.

Ik ging terug naar de foyer en bleef daar voor drie weken zonder buiten te komen. Ik was bang. Ik durfde de foyer niet te verlaten. Ik dacht dat ze me gingen neerschieten of terug in de gevangenis gooien. Ik wou naar huis gaan, maar niemand hielp me terug te keren.

Ik belde mijn zus om haar de situatie uit te leggen. Ze vroeg haar man voor financiële steun. De reis terug kostte ongeveer 400.000 CFA (608 euro). Een enorm bedrag, dat ze stukje bij beetje gingen overschrijven. Op dat moment konden ze maar 250.000 CFA betalen. Als ik wou vertrekken, moest ik terug gaan werken, maar ik was zo bang. Uiteindelijk heb ik nog twee weken gewerkt. Met het geld dat ik verdiende financierde ik de rest van mijn trip en kocht ik een telefoon.

Toen ik in Sebha aankwam was de telefoon het eerste wat de Libiërs van me afnamen. Ze stalen ook mijn geld en sloegen me. Tussen Qatrun en Madama stopten de terroristen me om me te fouilleren. Toen ik in Madama (Niger) aankwam stak de politie me in een kleine cel. Omdat ik geen geld had, gaven ze me 15 zweepslagen. Je kan de littekens op mijn rug nog steeds zien.

Eenmaal in Dirkou aangekomen, vroeg ik naar de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Ik ging terug naar dezelfde foyer in Agadez, waar ze me herkenden. Ik vond een lift naar het IOM-centrum maar het was gesloten dus ik sliep buiten. De volgende dag werd ik geregistreerd.

***

Toen ik Mamadou ontmoette, zat hij in het terugkeercentrum van IOM in Agadez. Hij wachtte op identificatiepapieren om zijn terugkeer mogelijk te maken. Voor minderjarigen zijn er ook speciale procedures om het belang van het kind na te gaan. Hij zou een van de volgende weken terugkeren naar zijn familie.

*Mamadou is een pseudoniem