Reddingsoperaties, mensenhandel en het gezicht erachter. Het verhaal van de zestienjarige Mamadou*.

Er was de laatste tijd veel ophef in de media rond reddingsoperaties in de Middellandse Zee en mensenhandel. Dat mensen redden van een verdrinkingsdood gelijk zou staan aan mensenhandel- of smokkel is natuurlijk onzin. Zelfs zonder reddingsoperaties gaan mensenhandel – en smokkel gewoon onverminderd voort. Het fenomeen is oneindig complex en diepgeworteld met migratieroutes die soms al eeuwenlang bestaan. Netwerken zijn vaak vertegenwoordigd op alle overheidsniveaus en nauw verbonden met lokale gemeenschappen, stammen, milities, transportbedrijven en grenspolitie. Routes worden aangepast naarmate het beleid wijzigt. De enorme bron van inkomsten die dit oplevert, kan niet zomaar vervangen worden.

Clingendael en ECDPM schreven twee briljante rapporten over het fenomeen.

Ik wil hier vooral het verhaal vertellen van de ‘migrant’, een gezicht geven aan die gedemoniseerde groep mensen die vaak enorm kwetsbaar zijn. Wie zijn die mensen op de bootjes? Toen ik vorige maand in Niger was had ik de kans Mamadou, een zestienjarige jongen, te interviewen. Een klein, verlegen ventje wist me twee uur lang gekluisterd te houden aan zijn verhaal. Het was hard om aan te horen maar wat me vooral opviel was zijn wilskracht, zelfredzaamheid en plichtsbewustzijn. Je reflechissais, zei hij verschillende keren, telkens hij voor een uitdaging stond.

Dit is zijn verhaal.

Mamadou, 16 jaar

Ik verliet mijn land zeven maand geleden. Ik wou mijn dromen verwezenlijken, de armoede achter me laten en iets van mezelf maken. Ik werkte in een winkel om het nodige geld te sparen. Mijn familie wist niets af van mijn vertrek, ik belde mijn vader pas toen ik het land had verlaten. Mijn ouders hadden mijn vertrek immers nooit toegestaan. Het geld dat ik had verzameld om de reis te financieren gaf ik aan een vriend. Ik had geen papieren, als een minderjarige is het moeilijk om papieren te verkrijgen. Ik wou eerst naar Italië gaan en dan naar Nederland. Ik heb daar zeven vrienden met wie ik via facebook contact houd.

 

terugkeercentrum Agadez

Terugkeercentrum IOM in Agadez (Niger)

 

 

Ik vertrok vanuit Guinea, en doorkruiste Mali en Burkina Faso om in Niger te geraken. Ik kwam heel wat politie tegen onderweg. Soms steken ze je in de gevangenis en kleden je uit. Ze nemen al je bezittingen af. Om te voorkomen dat ze mijn geld zouden stelen, had ik afspraken gemaakt met mijn vriend, die mij het geld in kleinere bedragen overmaakte naar transferbureaus, zodat ik zelf nooit te veel cash op zak had.

Toen ik aankwam in Agadez (Niger), ging ik naar een foyer (opvangplaats voor migranten, gerund door smokkelaars) en belde ik een kennis om me te helpen. Ik onderhandelde de reis van Agadez naar Sebha, die ongeveer 200.000 CFA (320 euro) kostte. Het geld werd overgeschreven door mijn vriend in Guinea. Ik bleef in Agadez voor een week. We vertrokken op een zondagochtend. Ik kreeg 5000 CFA (8 euro) om voedsel te kopen. Daarmee kocht ik poedermelk, couscous, brood en water. Ze gaven ons een bril en een masker om ons gezicht te beschermen in de woestijn. Er waren 32 mensen in de jeep en de kleinsten, zoals ik, moesten in het midden zitten. Er was weinig plaats, ik kon niet bewegen, mijn benen deden veel pijn. We vertrokken om 3 uur ‘s ochtends en namen een pauze om 9 uur. Toen reden we tot het nacht was. We sliepen in de woestijn. Om 5 uur ‘s ochtends vertrokken we weer. We hadden regels opgesteld om ons voedsel te rantsoenneren. Enkel ’s ochtends en ’s avonds mochten we water drinken.

Om 4 uur ’s ochtends de volgende dag kwamen we aan in Sebha (Libië). Daar verbleven we in een andere foyer. Een man riep ons een voor een binnen om naar onze plannen te vragen. Ik vertelde hem dat ik naar Tripoli wou gaan. De reis van Sebha tot Tripoli kostte opnieuw 200.000 CFA (320 euro). Libië is erg gevaarlijk. Als de Libiërs je vinden steken ze je in kleine cellen. Ik bleef in Sebha voor twee weken, maar ik haatte het daar. Op een dag ging ik werken op een bouwwerf zonder achteraf betaald te worden. Toen vertelden ze me dat Afrikanen er in regel niet betaald werden voor de verrichte arbeid. Iedereen die werkt in Libië komt uit Mali, Senegal en Kameroen. Alle Libiërs hebben wapens, zelfs de kleine kinderen. Een man die ik kende werd meegenomen naar de woestijn, beroofd, geslagen en uitgekleed en moest alleen terugkeren.

Ik regelde een volgende overschrijving om mijn trip naar Tripoli te betalen. Met 22 werden we in een bestelwagen voor vis verstopt. Het nam ongeveer een halve dag in beslag om Tripoli te bereiken.

Toen we daar aankwamen, verbleven we in een andere foyer. De man daar vertelde ons dat we in Sabratha moesten zijn als we de oversteek naar Italië wilden maken. We waren allemaal opgelucht om te horen dat het laatste gedeelte van onze reis eindelijk was aangebroken. Voor ik naar Italië vertrok, wou ik nog een centje bijverdienen. In Tripoli moet je altijd voorzichtig zijn, de kogels vliegen er om je oren. Ik vond een man die een kruidenierswinkel uitbaatte en begon voor hem te werken, Gezien Libiërs slecht Frans praten, vroeg ik hem me beetje bij beetje uit te leggen hoe alles werkte in de winkel. Ik verdiende 20 dinar (13 euro) per dag. Ik werkte er voor een maand, misschien iets langer. Toen kwam een groep gewapende mannen de winkel binnen en ze beroofden ons. Dat was de laatste dag dat ik er werkte. De volgende dag nam ik ontslag

Ik regelde mijn reis naar Sabratha, ging terug naar de foyer en bleef daar voor vier dagen zonder buiten te komen. De reis naar Sabratha kostte uiteindelijk 250.000 CFA (381 euro). Ik stuurde een deel van het geld dat ik verdiend had naar mijn moeder. Ik had nog 150.000 over, de rest werd overgemaakt door mijn vriend in Guinea.

We kwamen ‘s avonds toe in Sabratha. Eerst gingen we met z’n allen naar de zee kijken. We betaalden voor de reis en wachtten op het vertrek. We vertrokken ’s nachts. Er waren 147 mensen op de boot. Onder hen bevonden zich ook veel vrouwen en kinderen. We kregen zwemvesten en gingen één per één de boot op. Iedereen had een plaats maar het was erg krap. De man die de boot had geregeld vertrok. Een andere man kreeg een telefoon en een kompas in de handen geduwd. We dobberden in het water, in het midden van de nacht. Toen begon een van de banden van de boot lucht te verliezen. Mensen vielen uit de boot en verdronken. Sommige mensen riepen tegen de man met de telefoon dat hij de kustwacht moest bellen. Anderen zeiden dat het te riskant was om te bellen omdat we nog geen internationale wateren hadden bereikt. Uiteindelijk belde de man de kustwacht. 117 mensen overleefden. Er waren te veel mensen op de boot en we waren allemaal bang.

De Libische kustwacht bracht ons naar de Zawya gevangenis in Tripoli. De volgende dag gaven ze ons eten en de vertegenwoordigers van elk land kwamen ons bezoeken. Ik vertelde mijn verhaal tegen de vertegenwoordiger van Guinea. Hij zei dat ik geld moest hebben om de gevangenis te verlaten, 350.000 CFA (533 euro). Ik wist dat mijn familie dat niet kon betalen. Ik bleef in de gevangenis en dacht dagenlang na om een oplossing te vinden. Ze sloegen me regelmatig. Mannen en vrouwen verbleven in dezelfde gevangenis. De vrouwen werden regelmatig verkracht, zowel door bewakers als gevangenen. Ze wilden me overbrengen naar de gevangenis van Sebha, waar de situatie nog erger is. Ik besloot mijn oom te bellen in Gabon. Ik had gefaald, dit was het einde van mijn leven. Ik legde de situatie uit aan mijn oom. Mijn hele familie dacht dat ik zou sterven in de gevangenis. Uiteindelijk slaagde hij erin 200.000 CFA over te schrijven en ik werd vrijgelaten, na vijf weken.

Ik ging terug naar de foyer en bleef daar voor drie weken zonder buiten te komen. Ik was bang. Ik durfde de foyer niet te verlaten. Ik dacht dat ze me gingen neerschieten of terug in de gevangenis gooien. Ik wou naar huis gaan, maar niemand hielp me terug te keren.

Ik belde mijn zus om haar de situatie uit te leggen. Ze vroeg haar man voor financiële steun. De reis terug kostte ongeveer 400.000 CFA (608 euro). Een enorm bedrag, dat ze stukje bij beetje gingen overschrijven. Op dat moment konden ze maar 250.000 CFA betalen. Als ik wou vertrekken, moest ik terug gaan werken, maar ik was zo bang. Uiteindelijk heb ik nog twee weken gewerkt. Met het geld dat ik verdiende financierde ik de rest van mijn trip en kocht ik een telefoon.

Toen ik in Sebha aankwam was de telefoon het eerste wat de Libiërs van me afnamen. Ze stalen ook mijn geld en sloegen me. Tussen Qatrun en Madama stopten de terroristen me om me te fouilleren. Toen ik in Madama (Niger) aankwam stak de politie me in een kleine cel. Omdat ik geen geld had, gaven ze me 15 zweepslagen. Je kan de littekens op mijn rug nog steeds zien.

Eenmaal in Dirkou aangekomen, vroeg ik naar de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Ik ging terug naar dezelfde foyer in Agadez, waar ze me herkenden. Ik vond een lift naar het IOM-centrum maar het was gesloten dus ik sliep buiten. De volgende dag werd ik geregistreerd.

***

Toen ik Mamadou ontmoette, zat hij in het terugkeercentrum van IOM in Agadez. Hij wachtte op identificatiepapieren om zijn terugkeer mogelijk te maken. Voor minderjarigen zijn er ook speciale procedures om het belang van het kind na te gaan. Hij zou een van de volgende weken terugkeren naar zijn familie.

*Mamadou is een pseudoniem

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s